Zo’n vier jaar geleden downloadde ik, tegen beter weten in, Tinder. Niet uit een diep verlangen naar romantiek, maar uit een mengeling van nieuwsgierigheid en het soort hoop dat zich vooral ’s avonds aandient, wanneer de dag is afgerond en de stilte zich opdringt. Wat begon als een onschuldige verkenning, ontaardde al snel in een mentale uitputtingsslag. Een eindeloze stoet gesprekken die nergens landden, mannen die net genoeg belangstelling toonden om me vast te houden maar nooit genoeg om te blijven. Daten bleek geen spel, maar een sluipend proces van zelftwijfel.
De details van die periode doen er weinig toe. Wat wel bleef hangen, was het gevoel dat er iets fundamenteel scheef zat. Niet alleen in het landschap van online daten, maar ook in mijn positie daarin. Ik was voortdurend bezig met afstemmen, bijstellen, invoelen. Alsof liefde een onderhandeling was waarin ik steeds opnieuw mijn inzet verhoogde. In die context kwam De ideale vrouw is een bitch van Sherry Argov op mijn pad.
Het vinden van dé man was een fulltime baan naast mijn fulltime baan. Ik behandelde mezelf als een project dat optimalisatie vereiste. Betere foto’s, luchtigere gesprekken, minder verwachtingen. Ik leerde het juiste tempo van antwoorden, het strategisch inzetten van afstand, het subtiel temperen van enthousiasme. Alles om niet te veel te zijn. Alles om niet als lastig, behoeftig of, het ergste verwijt, ingewikkeld te worden gezien.

Argovs boek kwam niet binnen als een liefdesadvies, maar als een ongemakkelijke observatie. De titel alleen al was genoeg om weerstand op te roepen. Het woord ‘bitch’ draagt immers een geschiedenis met zich mee, een etiket voor vrouwen die weigeren zich soepel te voegen. Toch was het precies die weigering die Argov ontleedde. Niet als agressie, maar als zelfbehoud.
Wat ze beschrijft, is geen pleidooi voor kilte of machtsspelletjes. Het is een analyse van aantrekkingskracht als bijproduct van zelfrespect. De vrouw die zij schetst, is niet onbereikbaar, maar onwrikbaar. Ze legt haar leven niet stil in afwachting van bevestiging. Ze onderhandelt niet over haar grenzen. En misschien nog confronterender: ze verklaart zichzelf niet voortdurend.
Tijdens het lezen herkende ik mezelf in alles wat zij juist afraadt. Het eindeloze uitleggen. Het vergeven voordat er verantwoordelijkheid wordt genomen. Het reduceren van mijn verlangens tot iets hanteerbaars, iets wat minder ruimte inneemt. Ik had deze gedragingen jarenlang aangezien voor empathie, voor emotionele volwassenheid zelfs. Argov benoemt ze anders: als een structurele vorm van zelfverwaarlozing, vermomd als liefde.
Het boek dwong me om een ongemakkelijke vraag onder ogen te zien: wanneer was ‘begripvol zijn’ synoniem geworden voor mezelf voortdurend aanpassen? En waarom voelde het ongemakkelijker om iemand teleur te stellen dan om mezelf tekort te doen?
Wat De ideale vrouw is een bitch vooral blootlegt, is hoe diep vrouwen getraind zijn om harmonie te verkiezen boven waarheid. Om de relatie te redden, zelfs als dat betekent dat ze zichzelf stukje bij beetje kwijtraken. Argov romantiseert dat offer niet. Ze weigert het zelfs als deugd te erkennen. In haar wereld is aantrekkingskracht geen beloning voor opoffering, maar een gevolg van autonomie.
Is het boek ongenuanceerd? Soms. Het leunt op traditionele rolpatronen die niet altijd recht doen aan de complexiteit van moderne relaties. Maar onder die lagen ligt een kern die verrassend tijdloos is: wie zichzelf centraal stelt, verliest geen liefde maar wel de verkeerde vorm ervan.
Misschien is dat wel de ware erfenis van dit boek. Niet dat je harder wordt, maar dat je ophoudt jezelf te verzachten om ergens te mogen blijven. En dat, zo blijkt, is geen hardheid. Dat is waardigheid.